Inleiding
Kan stikstofruimte tijdelijk worden ingezet voor een project dat slechts beperkt extra stikstofdepositie veroorzaakt? Ja, dat kan onder een aantal voorwaarden, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met haar uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3685) zet de Afdeling de regels uiteen voor het tijdelijk leasen van stikstofruimte.
In deze blog bespreken wij de belangrijkste overwegingen uit de uitspraak en de betekenis daarvan voor de praktijk.
Wat speelde er?
De zaak betrof een geitenhouderij die haar stallen wilde verlengen en de natuurlijke ventilatie wilde vervangen door mechanische ventilatie. Hoewel het aantal dieren gelijk bleef, leidde deze wijziging tijdelijk tot een hogere stikstofdepositie. Zodra luchtwassers zouden worden geplaatst, zou de depositie weer afnemen.
Om deze tijdelijke toename te overbruggen, wilde de initiatiefnemer stikstofruimte tijdelijk leasen van een andere geitenhouderij. Partijen legden deze afspraken vast in een civielrechtelijke leaseovereenkomst. Daarnaast waren in de natuurvergunning van de saldo-ontvanger voorschriften opgenomen om de leaseconstructie publiekrechtelijk te borgen.
Volgens zowel de rechtbank als de Afdeling was deze borging echter onvoldoende. Dat gaf de Afdeling aanleiding om uiteen te zetten aan welke voorwaarden een tijdelijke leaseconstructie moet voldoen.
De regels voor tijdelijk leasen van stikstofruimte
Daarvoor sluit de Afdeling aan bij de voorwaarden voor extern salderen. Dat betekent dat:
- de voordelen van de maatregel op het moment van de passende beoordeling vast moeten staan;
- dubbele inzet van stikstofruimte moet worden voorkomen. Daarvoor is vereist dat directe samenhang bestaat tussen het nieuwe project en de (gedeeltelijke) beëindiging van het saldogevende bedrijf en vaststaat dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk wordt beëindigd en niet kan worden hervat;
- is geborgd dat de maatregel effect heeft voordat het project negatieve gevolgen veroorzaakt;
- wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
Indien aan die voorwaarden wordt voldaan, is het tijdelijk leasen van stikstofruimte mogelijk. Om aan deze voorwaarden te voldoen, moet de leaseconstructie in de praktijk op verschillende manieren worden geborgd: een overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger, een wijziging van de natuurvergunning van de saldogever, een voorschrift in de natuurvergunning van de saldo-ontvanger en naleving van het additionaliteitsvereiste.
1. Een leaseovereenkomst
Een civielrechtelijke overeenkomst tussen saldogever en saldonemer is volgens de Afdeling niet voldoende. Zo’n overeenkomst bindt alleen partijen en biedt het bevoegd gezag geen mogelijkheid om publiekrechtelijk te handhaven. Daarom is aanvullende publiekrechtelijke borging nodig.
2. Wijziging van de natuurvergunning van saldogever
Volgens de Afdeling moet bestuursrechtelijk zijn geborgd dat de saldogever de betreffende activiteit gedurende de leaseperiode staakt en niet hervat. Dat kan met tijdelijke vergunningvoorschriften die zijn gekoppeld aan een met naam genoemde saldo-ontvanger, die ingaan na melding van de staking en die van rechtswege vervallen na afloop van de leaseperiode.
3. Voorschrift in natuurvergunning saldo-ontvanger
Ook in de natuurvergunning van de saldo-ontvanger moet een voorschrift worden opgenomen. Daarin moet het gebruik van de vergunning afhankelijk worden gesteld van de tijdelijke gebruiksbeperking van de natuurvergunning van de saldogever. Dit betekent dat de activiteiten pas mogen starten nadat die gebruiksbeperking van kracht is geworden, alleen mogen plaatsvinden zolang de gebruiksbeperking geldt en vooraf bij het bevoegd gezag moeten worden gemeld.
Tussen beide natuurvergunningen moet dus een duidelijke publiekrechtelijke koppeling worden gemaakt.
4. Additionaliteitsvereiste
Tot slot moet ook bij het leasen van stikstofruimte aan het additionaliteitsvereiste worden voldaan. Dat betekent dat de tijdelijke gebruiksbeperking alleen als mitigerende maatregel mag worden ingezet als voldoende is verzekerd dat deze niet al nodig is als instandhoudings- of passende maatregel voor de bescherming of het herstel van de betrokken Natura 2000-gebieden. Het bevoegd gezag moet dus bij tijdelijke leaseconstructies expliciet motiveren dat de vrijgekomen stikstofruimte niet reeds noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor de motiveringseisen verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923).
Aandachtspunt
Interessant is dat de Afdeling nog een juridisch vraagstuk signaleert. De Afdeling merkt op dat de vraag kan rijzen of de saldogever door de tijdelijke wijziging van zijn natuurvergunning of door hervatting van de activiteit na afloop van de leaseperiode een nieuwe natuurvergunning nodig heeft. Dat hangt af van de vraag of nog sprake is van de voortzetting van een-en-hetzelfde project.
De Afdeling geeft hierover in de uitspraak geen oordeel, omdat die rechtsvraag niet voorlag. De Afdeling geeft wel mee dat de beoordeling of al dan niet sprake is van voortzetting van één-en-hetzelfde project moet plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden in het concrete geval.
Relevantie voor de praktijk
De uitspraak van de Afdeling maakt duidelijk dat het tijdelijk leasen van stikstofruimte mogelijk blijft, maar dat daarbij wel verschillende aandachtspunten gelden:
- Tijdelijk leasen van stikstofruimte is mogelijk voor projecten die gedurende een beperkte, overzienbare periode extra stikstofdepositie veroorzaken.
- De Afdeling sluit voor de beoordeling aan bij de voorwaarden die gelden voor extern salderen. Een civielrechtelijke leaseovereenkomst alleen is onvoldoende. De leaseconstructie moet ook publiekrechtelijk worden geborgd door middel van passende vergunningvoorschriften voor zowel de saldogever als de saldo-ontvanger.
- Ook bij tijdelijk leasen moet aan het additionaliteitsvereiste worden voldaan.
Houd er rekening mee dat een tijdelijke wijziging van de natuurvergunning van de saldogever gevolgen kan hebben voor de vraag of na afloop van de leaseperiode nog sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde project en dus of een nieuwe natuurvergunning nodig is.
Hebt u vragen over deze uitspraak of andere gerelateerde onderwerpen neem dan contact op met Claudia Dijkstra of een van onze andere bestuursrechtspecialisten.